Een individuele visie op Arbeid in de 21e eeuw

postzegelDit epistel is een uitreksel van een groter opstel dat is te downloaden onder aan de pagina en is geschreven door Cees Norbart in 2011. Het is een individuele visie op arbeid in de 21e eeuw en geeft de geschiedenis van arbeid door de eeuwen heen weer. Ook de visie van de politiek door de jaren heen op het onderwerp basisinkomen wordt in het grote document  uit de doeken gedaan.Politieke partijen waren bijna op het punt een basisinkomen in te voeren, maar uiteindeljk is niet voor vrijheid, maar voor consumptie gekozen. En nu zitten we met de neo-liberale gebakken peren.

Veel leesplezier, eerst met het uitreksel, daarna vielleicht met het 117 bladzijden tellende opstel.

Robin

SAMENVATTENDE CONCLUSIE INZAKE AFNEMENDE PRESTATIEVE TIJD EN TOENEMENDE BETEKENIS TIJD VAN ARBEID.

-19e EEUW
Voor de ‘industriële revolutie kennen we een werkweek van 6 dagen van 16 uur per dag, geeft een werkweek van 96 uren per medewerker, gedurende 40 weken per jaar, geeft 3840 werkuren per jaar per medewerker.

20e EEUW
Na de industriële revolutie krijgen we een werkweek van 5 dagen van 9 uren per dag, van 45 uren per week per medewerker, gedurende ook 40 weken per jaar, maakt 1880 werkuren per jaar per mede-werker.De werktijd is globaal gezegd “gehalveerd”! ten opzichte van de 19e eeuw.

21e EEUW
Na de informatie revolutie krijgen we een tweedaagse werkweek van 5 uur, gedurende 40 weken per jaar, maakt 400 uren per jaar per medewerker.De werktijd wordt “gedecimeerd” ten opzichte van de 19e eeuw.

ARBEID IN DE 21E EEUW

  • DE WERKDAG bestaat uit een twee SHIFTS van 5 UUR PER DAG.
  • DE TWEEDAAGSE WERKWEEK gedurende 40 WEKEN PER JAAR, maakt 40 weken x 2 X 5 uren = 400 uren per man per jaar;
  • 4 miljard arbeidsuren / 400 uren =10 MILJOEN MEDEWERKERS gedurende 2 dagen per week, elk voor een SHIFT van 5 uur PER DAG gedurende 40 weken.
  • STRATEGISCHE PRESTATIEVE ARBEID INTERFEREEERT met COMMUNICATIEVE, CREATIEVE en BETEKENISVOLLE CONTEMPLANTIEVE ARBEID voor 4 miljard arbeidsuren;
  • 400 uren tegen € 50 per uur maakt een FISCAAL ONBELASTE BELONING VOOR ARBEID VAN € 20.000 per jaar;
  • EEN FISCAAL ONBELAST BASISINKOMEN VAN € 5.000 per jaar completeert het CONSUMPTIEF TE BESTEDEN JAARINKOMEN TOT € 25.000 PER JAAR, uitgedrukt in KOOPKRACHT voor het jaar 2010.

Middels de groeiende interferentiezone wordt de afstand opgeheven tussen STRATEGISCHE PRESTATIEVE ARBEID enerzijds en COMMUNICATIEVE CREATIEVE EN BETEKENISVOLLE CONTEMPLATIEVE ARBEID anderzijds.

PRESTATIETIJD binnen ARBEID interfereert als het ware met BETEKENISTIJD en zal een bevrijdend karakter geven aan arbeid.

We staan aan het begin van de 21e eeuw voor de uitdaging die luidt:

ARBEID IN HET NIEUWE WERKEN KOMT LOS UIT ZIJN BEKLEMMING DIE VOORTVLOEIT UIT HET STRATEGISCHE KARAKTER WAARIN ARBEID ALS PRESTATIEVE TIJD TOT UITDRUKKING WORDT GEBRACHT EN KRIJGT IN COMMUNICATIEVE VORM, ALS BETEKENISTIJD ZIJN WAARDE TERUG.

ARBEIDSTIJDVERKORTING ALS GEVOLG VAN GESTEGEN ARBEIDSPRODUCTIVITEIT

Volgens Keynes zal de structurele werkgelegenheid, bij een arbeidsproductiviteit stijging van € 100.000 naar € 200.000 per medewerker per jaar, afnemen van 5 miljoen naar 2,5 miljoen medewerkers.

Bestedingsevenwicht van € 500 miljard zal dan bij een arbeidsproductiviteit van € 200.000 een ‘structurele werkgelegenheid’ opleveren van ruim 2,5 miljoen arbeidsjaren van 1600 uur per jaar.( 40 weken x 40 uren), maakt in totaal 4 miljard arbeidsuren.
Korter werken voor 10 miljoen arbeidsjaren van 400 uur per jaar (40 weken x 10 uren) arbeid met een overmaat aan betekenistijd, behoort dan tot de mogelijkheden.

  • De beroepsbevolking bedraagt in 2010 reeds 6 miljoen medewerkers;
  • De aanwas van de beroepsbevolking gedurende de komende 10 jaren tot aan 2020 bedraagt nog eens 4 miljoen medewerkers, bestaande uit een instroom vrouwelijke en allochtone medewerkers, in totaal 10 miljoen flexie medewerkers;
  • Structurele werkgelegenheid van 4 miljard arbeidsuren verdeeld over 10 miljoen medewerkers bedraagt in totaal 400 werkuren, dat is 80 dagen per jaar, van 5 uren per dag per medewerker;
  • De bedrijfstijdverlenging tot vol continue dienst voor alle branches en alle sectoren van het bedrijfsleven biedt de mogelijkheid de productie in 4 shifts van 5 uren per dag, dus 20 uren per dag effectieve productie op te voeren, in afwisseling met 4 uren per dag voor onderhoud en revisie.
  • De arbeidstijdverkorting die moet worden doorgevoerd leidt dan tot een tweedaagse werkweek van 5 uren per dag per medewerker, voor in totaal 10 miljoen flexie medewerkers;

BASSINKOMEN OP LANGE EN MIDDELLANGE TERMIJN

Het BASISINKOMEN vormt de breuk met het productivisme, door te kiezen voor meer vrije tijd in plaats van meer consumptie.

BASISINKOMEN TER BESTRIJDING VAN ONVRIJWILLIGE WERKLOOSHEID

De hoogte van het basisinkomen is bepalend voor de mate waarin het totale arbeidsaanbod afneemt. Bij structureel onvoldoende arbeidsplaatsen, kan de vaststelling van de hoogte van het basisinkomen worden gebruikt om de geaggregeerde vraag en aanbod van arbeid beter op elkaar af te stemmen. Als men bereid is een prijs te betalen om over het schaarse goed van een arbeidsplaats te beschikken, dan kan de opbrengst daarvan worden gebruikt om diegenen, die vrijwillig afzien van een gedeelte van betaald werken, een ‘afkoopinkomen’ te verschaffen. Verdeel het recht op arbeid gelijkelijk over alle potentiële aanbieders van arbeid en maak het recht verhandelbaar.Het Centrum voor Werk in Inkomen bepaalt jaarlijks:

n = de arbeidsvraag
m = het arbeidsaanbod
Het arbeidsbureau deelt jaarlijks aan alle potentiële arbeidskrachten een arbeidscertificaat met n / m aantal arbeidscoupons.De coupons geven recht op een arbeidsplaats gedurende n / m x 52 werkweken per jaar.Niemand heeft bij voorbaat recht op een volledige baan. Omdat de coupons verkocht kunnen worden, heeft iedereen een verhandelbaar recht op een gelijk werkgelegenheidsaandeel en is daarmee de basis gelegd voor een gefundeerd basisinkomen. Een optimale hoogte van het basisinkomen verhoogt de keuzevrijheid tussen betaalde arbeid en onbetaalde arbeid.Bij geringe structurele werkloosheid, wordt n bijna net zo groot als m , zodat het afkoopinkomen in waarde daalt en onvoldoende is, om daarmee zich in het levensonderhoud te voorzien. Voor hen moeten aanvullende regelingen worden getroffen, zoals een verhoogd voorwaardelijk basisinkomen.

BASISINKOMEN EN ONDERWIJS

Als mensen door het basisinkomen minder gaan werken, zal het rendement van scholing afnemen en zal de voorkeur uitgaan naar kortere opleidingen, die uitzicht bieden op plezierig werk om aanvullend loon te verdienen bovenop het basisinkomen. Met sturend beleid door gedifferentieerde lesgelden dient de overheid het onderwijs te sturen. Ook het bedrijfsleven dient gestimuleerd te worden door infrastructurele investeringen en kennisontwikkeling. Ondanks het feit dat een basisinkomen nadruk legt op de vrije werking van de markt, blijft overheids-beleid noodzakelijk om de economie bij te sturen om de maatschappelijke keuze voor het basisinkomen blijvend te realiseren. Men kan dit de paradox van de keuzevrijheid in de verzorgingsstaat noemen. Enerzijds trekt de overheid zich terug uit de sfeer waarin burgers hun afwegingen maken tussen inkomen en vrije tijd, door het invoeren van een minimum basinkomen. Anderzijds moet de overheid meer greep krijgen op persoonlijke beslissingen, die verder reiken dan het individuele persoonlijke belang.

De P.v.d.A. stelt als doel invoering van een volledig basisinkomen, als onvoorwaardelijke uitkering op het niveau van het sociaal minimum, in te voeren in een periode van 25 jaar, te realiseren in 2025. Als overgangsregeling geldt de invoering in het jaar 2015 van een gedeeltelijk basisinkomen van 50 % van een welvaartsvast sociaal minimum, aangevuld met een zeer bescheiden ministelsel in de vorm van een volksverzekering en een bijstandsregeling. In juni 1998 is bij de formatie van het tweede paarse kabinet voor het eerst de geïndividualiseerde heffingskorting in het nieuwe belastingstelsel, als invoering van het Basisinkomen in 2001 aangekondigd. De heffingskorting is voorlopig op € 1.500 per jaar vastgesteld, dat is 12,5 % van het sociaal minimum-inkomen dat werkenden van hun te betalen belastingbedrag af mogen trekken en de niet actieven uitgekeerd krijgen, aangevuld met een minimale arbeidsongeschiktheids en werkloosheidsverzekering..

VOORDELEN VAN HET ARBEIDSLOOS BASISINKOMEN ALS GRONDRECHT:

  • men heeft geen wettelijke verplichting meer om betaalde arbeid te verrichten;
  • het ernstige ontmoedigingseffect van het huidige uitkeringssysteem wordt opgeheven;
  • vereenvoudiging van het stelsel van sociale zekerheid;
  • het ingewikkelde uitkeringssysteem kan verdwijnen;
  • de inbreuk op de privacy door koppeling van uitkeringsbestanden zal verminderen;
  • controlemaatregelen voor het inkomensbeleid zijn overbodig;
  • fraudegevoeligheid van het inkomens herverdelingssysteem wordt veel geringer;
  • keuzevrijheid voor de individuele burger wordt groter;
  • opheffing van de armoedeval;
  • ontmoediging van zwart werk;
  • verlaging van de relatieve arbeidskosten;
  • flexibilisering van de productie;
  • stimulering technologische vernieuwing door vermindering van de sociale effecten daarvan;
  • verbetering van de arbeidsomstandigheden.
  • ieder heeft wel de morele plicht om betaalde arbeid te verrichten die financieel afdwingbaar is, of onbe-taald arbeid te verrichten die door sociale controle wordt gereguleerd, om zo een bijdrage te leveren aan de samenleving;
  • het opzetten van kleine bedrijven zal toenemen, omdat de zekerheid van een arbeidsloos basisinkomen dat mogelijk maakt;
  • de maatschappelijke waardering voor onbetaald werk wordt groter;
  • er zal verschuiving plaatsvinden van ondernemingen met een hoge productie per werknemer (kapitaal-intensieve bedrijven) naar bedrijven met een lage productie per werknemer (arbeidsintensieve bedrijven).
  • je kunt ook een kleinschalig, milieuvriendelijk bedrijfje beginnen;
  • maar ook een kleinschalig arbeidsintensief boerenbedrijf runnen;
  • je kunt gaan studeren, het huishouden gaan doen, maatschappelijke hulpverlening oppakken, klusjes opknappen of een vereniging steunen;
  • je hoeft je niet eerst arbeidsongeschikt te werken om te stoppen met betaald werk;

Het ARBEIDSLOOS INKOMEN van € 5.000 per jaar per persoon van boven de achttien jaren oud, ligt rond de 25 % van het Nationaal Inkomen. Dit 25 % percentage werkt zelfregulerend: daalt het arbeidsaanbod, door de keuze voor meer vrije tijd, dan daalt het Nationaal Inkomen en daarmee het basisinkomen, waardoor het arbeidsaanbod weer toeneemt, totdat een evenwicht wordt bereikt; stijging van de arbeidsproductiviteit, waardoor het Nationaal Inkomen stijgt, leidt ook tot een stijging van het basisinkomen.

CONCLUSIE:

De invloed van de arbeidsproductiviteit als gevolg van informatie technologie op het Nationaal Inkomen is veel groter dan de invloed van het arbeidsaanbod, waardoor de hoogte van het Basis Inkomen meer en meer afhankelijk wordt van de toegevoegde waarde capaciteit van kapitaal en informatie technologie. Voor grote groepen in de samenleving bestaat dit arbeidsloos inkomen reeds gedurende het einde van de vorige eeuw als aanvullende of vervangende beloning voor arbeid in de vorm van:

  • kinderbijslag
  • studiefinanciering
  • huursubsidie
  • algemene bijstandsuitkering
  • werkloosheidsuitkering
  • arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • vervroegde uittredingsuitkering
  • pensioenuitkering
  • algemene ouderdomsuitkering
  • invaliditeitsuitkering

MICRO ECONOMISCHE ARBEIDSMARKTFACETTEN VAN HET BASISINKOMEN.

voor werknemers komt het basisinkomen onderop hun loon, waardoor het netto verdiende loon lager zal worden; korter werken kost minder achteruitgang in netto loon; langer werken houdt minder extra netto loon over; de marginale opbrengst van een uur arbeid wordt 33 % minder; de marginale prijs voor een uur vrije tijd wordt 33 % goedkoper; de nuts maximaliserende werknemer zal minder uren willen gaan werken, hetgeen de arbeidstijd-verkorting bevordert en de participatiegraad verhoogd.

CONCLUSIE :

laag betaalde werknemers willen korter gaan werken; laag betaalde deeltijdwerkers zullen ophouden met werken; hoog betaalde werknemers zullen langer gaan werken om hun inkomensachteruitgang te compenseren; uitkeringsgerechtigden zullen niet meer op hun basisinkomen worden gekort, terwijl nu de marginale inhouding op inkomen uit arbeid 100 % bedraagt; de sollicitatieplicht voor uitkeringsgerechtigden vervalt.
flexibilisering van de arbeidsmarkt door vermindering van storende regelgeving; minimum loon verlagen of afschaffen omdat de sociale zekerheid is verplaatst van binnen naar buiten de arbeidsmarkt; de kloof verdwijnt tussen onbetaald werk en werk tegen het minimum loon; de ontslagwetgeving kan worden versoepeld, omdat de werknemer sterker staat tegenover de werkgever; regulering van flexibel werken om de inkomenspositie van de arbeidskrachten veilig te stellen wordt daarmee overbodig.
PER SALDO EEN TOENAME VAN DE PARTICIPATIEGRAAD, ALS HET ARBEIDSAANBOD IN PERSONEN;
EEN AFNAME VAN HET ARBEIDSAANBOD IN UREN.

HET BASISINKOMEN GEEFT GEEN HERVERDELING VAN DE BELONING VOOR DE PRODUKTIE-FAKTOREN ARBEID EN KAPITAAL.

het basisinkomen vermindert de onvrijwillige werkloosheid;meer werkgelegenheid vermindert het loondrukkend effect; het basisinkomen zal op de werkgever worden afgewenteld, hetgeen leidt tot prijsstijging waardoor de concurrentiepositie van het bedrijfsleven ten opzichte van het buitenland verslechtert; het basisinkomen wordt gefinancierd uit:

  • heffing arbeidsinkomen, waardoor de arbeidsintensieve bedrijven de rekening betalen;
  • b.t.w.heffing, waardoor de kapitaalintensieve bedrijven voor de kosten opdraaien;
  • informatieheffing, waarbij de dienstverlenende bedrijven alles betalen.

BELONING VOOR ARBEID VOOR INVOERING BASISINKOMEN

loonquote x B.B.P = 0.8 x 500 mld euro = 400 mld euro;
aantal meewerkers x aantal uren x uurloon = 10 miljoen x 800 uren x 50 euro/uur = 400 mld euro; de belasting en sociale premiedruk = 60 % , zodat na belasting en sociale premie netto overblijft 400 mld euro 240 mld euro = 160 mld euro.

BELONING VOOR ARBEID NA INVOERING BASISINKOMEN

De beloning voor arbeid bestaat uit twee componenten t.w.

HET BASISINKOMEN voor 15 miljoen Nederlanders voor € 5.000 per Nederlander bedraagt € 75 miljard ;

HET ADDITIONEEL ARBEIDS INKOMEN van € 50 X 160 UREN = € 8.000 per persoon per jaar, voor 10 miljoen medewerkers, maakt 80 miljard euro.

TOTALE LOONSOM BEDRAAGT € 75 miljard + € 80 miljard = € 155 miljard netto zonder belasting en sociale premie druk.

DE LOONKOSTEN VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zijn gereduceerd van 400 mld euro naar 155 mld euro, de loonkosten zijn ruim gehalveerd, hetgeen de concurrentie positie van het bedrijfsleven naar het buitenland aanzienlijk verbetert en de migratie van arbeid binnen Europa mogelijk maakt.

ARBEID HISTORISCH GEZIEN

HET BEGRIP ARBEID KENT AL EEN LANGE GESCHIEDENIS, ZOLANG ALS DE MENS FILOSOFEERT.

Als ontwikkeling in het algemeen en dus ook voor ‘arbeid’ geldt :

HET ARCHAÏSCH DENKEN
Evenwichtige ordening
Goden en mensen
Vrijen en slaven
HET MIDDELEEUWSE DENKEN
God
Geschapen werkelijkheid
Geordend karakter van de werkelijkheid
MODERNE DENKEN
De mens
Maakbare en manipuleerbare werkelijkheid
Regels en afspraken

PLATO kent de ideeënwereld, als de essentie, het ware zijnde als transcendente onveranderlijke werke-lijkheid, tegenover de zichtbare werkelijke wereld van het worden, als de schijnwerkelijkheid. De regeerders richten zich op het eeuwige, de Idee van het Goede, die de hoogste Idee vormt. De regeer-ders dienen dus filosofen te zijn, die zich niet laten afleiden door de zintuiglijke waarneembare dingen.

In de parabel van de Grot, komt de twee werelden theorie naar voren. De wereld in de grot staat voor de allerdaagse zichtbare schijnwerkelijkheid, terwijl de buitenwereld correspondeert met de ware werkelijk-heid, met de Ideeën. De zon staat voor de Idee van het Goede, de grondslag van alle werkelijkheid en zijn.

PLATO neemt in zijn filosofie afstand van de werkelijkheid om het wezen dichter te kunnen benaderen. In de scheiding tussen werkelijkheid en wezen ligt de kern van het Platonisme.

ARISTOTELES 384 v.o.j. Stageira in Thracie in Noord Griekenland.

Ook Aristoteles denkt vanuit een ontologie, die tegelijk een ethische strekking heeft, van waaruit de sa-menleving wordt doordacht. Het wezen van de dingen bestaat volgens Aristoteles niet in de vorm van een Idee, die transcendent is aan de dingen, maar is ‘immanent’ aan de dingen zelf. De staat kent drie standen, werkers, wachters en regeerders. De wachters leven in communeverband. Uit de beste wachters worden de toekomstige regeerders van de staat geboren. De wachters en regeerders worden onderhouden door de werkende stand, zoals de boeren, de ambachtslieden en handelaren. De slaven zijn natuurlijk slaaf en dat is voor hen nuttig en rechtvaardig.

Arbeid als het werk van slaven was daarom bij voorbaat al verachtelijk. Het was beneden de waardigheid van vrije mannen om inkomsten uit arbeid te krijgen. Voor de vrije burgers is arbeid echter een onwaardige activiteit. Zij houden zich met ‘hogere’ geestelijke zaken bezig, zoals debatteren, filosoferen en spelen. Dit alles is echter mogelijk bij gratie van slaven die daarvoor de materiële bestaansvoorwaarden scheppen.

Echte vrije mensen maken zich onbaatzuchtig verdienstelijk voor de gemeenschap. Alleen intellectuele arbeid wordt menswaardig gevonden. De minachting van de Grieken en de Romeinen voor arbeid is daarom een klasse gebonden oordeel.

Het CHRISTENDOM leert, in navolging van het Oude Testament, een positieve waardering voor arbeid en veroordeling van ledigheid. De plicht tot arbeid was een morele plicht door God opgelegd na de zondeval. Ora et labora, het was de religieuze context die de arbeid zijn waarde geeft.

Met Thomas van Aquino behaalt het Aristolelisme een overwinning die duurzaam is. Filosofie is goddelijk en bovenmenselijk, omdat ze het geheel wil overzien. Dat geheel is de kosmos, als de uit hemel en aarde bestaande samenhang, die elkaar in evenwicht houden, door Gods hand gestuurd.

ARBEID IN DE MIDDELEEUWEN vanaf de 12e eeuw

In een zelfverzorgende agrarische samenleving voorziet onbetaalde arbeid in het grootste deel van het levensonderhoud. Arbeid voor geld of voor een ander ruilmiddel neemt een ondergeschikte plaats in.

In de Middeleeuwen wordt ook door het Christendom er vanuit gegaan dat arbeid voor iedereen geldt als een opdracht van God. De Kerkvaders en Scholastici benadrukken de christelijke plicht tot arbeid.

Vanaf de 12e eeuw ontstaat er door toenemende handel en door de invoering van de nijverheid een grotere verscheidenheid aan arbeid.

De overgang van een agrarische economie naar een geldeconomie maakt dat betaalde arbeid op de eerste plaats komt. Arbeid wordt veelal primair gezien als handenarbeid ten behoeve van het directe levensonderhoud.

Arbeid begint onpersoonlijker te worden, de nauwe band tussen productie en consumptie wordt steeds losser.

Pas na de Middeleeuwen krijgt de baas-knecht relatie een centrale plaats in de maatschappij. Die niet wilde werken wordt met geweld gedwongen. Rond 1350 worden landlopers en bedelaars in West Europa met geweld aan het werk gezet.

De arbeiders bieden eeuwenlang een taai verzet tegen de scheiding tussen wonen en werken, consumptie en productie, leven en arbeid. Kortom, verzet tegen de loonarbeid.

HET MATERIALISME VAN DE DUITSE WIJSBEGEERTE in de 19e Eeuw

HET HISTORISCH MATERIALISME van KARL MARX

Volgens Marx heeft het Idealisme slechts de denkactiviteit op het oog. Marx wil daarom de activiteit met de zintuiglijkheid combineren. Hij wil in het materialisme, de zintuiglijke activiteit, dus de daadwerkelijke tastbare activiteit, van de mens benadrukken. De samenleving wordt ingedeeld in een ‘basis’, de economie en een ‘bovenbouw’ die bestaat uit het juri-dische en politieke als recht en staat en uit de maatschappelijke bewustzijnsvormen zoals godsdienst, kunst, wetenschap en filosofie.

De stelling van Marx luidt: ‘dat de basis de bovenbouw bepaalt’.

Marx plaats de economische vervreemding op één lijn met de religieuze vervreemding van Feuerbach. Vanuit de vervreemdingstheorie geeft Marx kritiek op de economische theorie. Hij stelt dat de nationale economie de vervreemding over het hoofd ziet. Het valt daardoor niet op dat de producten van arbeid niet aan de eigenlijke producenten toevallen, maar aan de kapitalist waardoor de kapitalistische private eigen-dom wordt gecreëerd.

De vervreemding kan op verschillend niveau plaatsvinden :

de vervreemding van het ‘product’;
de vervreemding van de arbeid, als producerende activiteit zelf;
de vervreemding van de medemens.

KARL MARX ziet de arbeid centraal in zijn maatschappij opvattingen

  • de productieverhoudingen vormen de onderbouw, waarop de bovenbouw van de maatschappij structuren zijn gebaseerd;
  • de arbeidswaardeleer benadrukt het verschil tussen de ruilwaarde en de gebruikswaarde van arbeid;
  • de mens wordt van zijn arbeid vervreemd, hetgeen een soort ‘dwangarbeid’ oplevert;
  • de mens streeft ernaar om zijn behoeften buiten de arbeid te bevredigen, zodat als er geen arbeidsdwang meer aanwezig is, de arbeid wordt gemeden als de pest;
  • loon voor arbeid is dan een gruwel en een direct gevolg van de vervreemde arbeid;
  • arbeid wordt gedegradeerd tot werk, als middel om in leven te blijven;

HET MODERNE DENKEN EN DE ARBEID in de 20e Eeuw

Het begrip arbeid kent slechts een korte geschiedenis.

Arbeid is ontstaan binnen de industriële revolutie, als:

  • arbeid binnen een afgebakende tijdsduur;
  • arbeid beschikbaar stellen aan een ander;
  • tegen een vaste beloning;
  • terwijl het werkdoel niet zelf wordt bepaald;
  • de mens is daarbij slaaf geworden van de arbeid, door het ‘communicatieve’ element te verwaarlozen;

Het ‘STRATEGISCH HANDELEN’ kenmerkt zich door een doelrationele en instrumentele manier van met elkaar omgaan. Men probeert in de omgang mat de ander zijn individueel doel zo efficiënt mogelijk na te streven. Dit is alleen mogelijk door empirische prikkels zoals macht en geld. Wie uit eigenbelang van een ander iets gedaan wil krijgen, kan dreigen met fysiek geweld of een financiële beloning in het vooruitzicht stellen.

Strategisch handelen gaat gepaard met al dan niet merkbare dwang, waarbij de taal gebruikt wordt om de ander in feite te manipuleren, terwijl in het communicatief handelen de wezenlijke eigenschap van taal, namelijk te komen tot ‘Verständigung’ aan bod komt.

In het COMMUNICATIEF HANDELEN kan de uitspraak op één van de geldigheidsaanspraken bekriti-seerd en beargumenteerd worden en dat is wat Habermas communicatieve rationaliteit noemt, in tegen-stelling met cognitief instrumentele of doelrationaliteit, waarbij het alleen gaat over de waarheid van onze kennis over de buitenwereld en de effectiviteit van ons ingrijpen daarin.

Binnen de communicatieve rationaliteit is datgene rationeel, wat op goede gronden wordt gedaan, die slechts doordat ze in de taal expliciet gemaakt worden, goede gronden blijken te zijn. Deze vorm van rationaliteit ligt dus potentieel in de taligheid van ons bestaan opgesloten en wordt geactiveerd, wanneer de taal als medium van communicatief handelen wordt gebruikt.

DE LEEFWERELD EN SYSTEEMWERELD

Habermas komt in zijn ’Maatschappijtheorie’ opnieuw tot een fundamentele tweedeling, namelijk tussen ‘Leefwereld en ‘Systeemwereld’.

Habermas neemt het begrip ‘Leefwereld’ over van de fenomenologie, maar werkt het in communicatieve zin uit.

DE LEEFWERELD is het geheel van vooronderstellingen die cultureel bepaald zijn en de horizon vormen waartegen alle communicatieve processen zich afspelen. De leefwereld is de culturele overlevering , zoals deze tegelijkertijd voortdurend wordt vernieuwd door steeds verschuivende thema’s, die wel expliciet ter discussie worden gesteld. De leefwereld bestaat, behalve uit opvattingen en interpretaties, ook uit instituties en personen in de vorm van cultuur, maatschappij en persoon.

DE SYSTEEMWERELD daarentegen wordt bepaald door de ‘Systemische Integratie’, waarbij ook verbinding plaats vindt van mensen en hun handelen achter de rug van betrokkenen om, zoals in het markt-mechanisme binnen het kapitalisme, als een zichzelf sturende eenheid, afgestemd op het behoud van evenwicht om zichzelf tegenover de omgeving in stand te houden.

Op het raakvlak tussen systeem en leefwereld worden door de systemen sturingsproblemen in economie en staat afgewenteld op de leefwereld. Allerlei ziekteverschijnselen in de leefwereld, zoals problemen met legitimatie, motivatie en opvoedingscrises zijn daarvan het gevolg. Veel van de nieuwe sociale bewegingen zijn een verzet tegen de systemen en vóór een communicatief rationele benadering. Het gaat hierbij niet zozeer om economische en sociale zekerheid, maar eerder om de kwaliteit van het bestaan, om gelijke rechten en zelfontplooiing, om participatie en om mensenrechten, zoals in de groene beweging, de vrouwenbeweging, de vredesbeweging, de democratiseringsbeweging en sommige nieuwe religieuze bewegingen.

HABERMAS COMMUNICATIEF HANDELEN

Habermas theorie van communicatief handelen bouwt voort op de tegenstelling tussen strategisch en communicatief handelen. Communicatief handelen biedt de interactiepartners de gelegenheid om zo nodig ‘nee’ te zeggen tegen normen en waarden, die de ander naar voren brengt, zonder dat de interactie wordt afgebroken of de overgang naar strategisch handelen impliceert.

Habermas maatschappij theorie wordt gevormd door de complementariteit tussen het communicatieve handelen enerzijds en de leefwereld anderzijds.

Voor Habermas is de rationaliteit en de geweldloosheid van het communicatieve handelen afhankelijk van de vraag of de toehoorder, ondanks de verleidingskracht van het discourgenre “nee” kan zeggen tegen deze verleiding om zo verplichtend gesuggereerde aankoppelingspaden af te wijzen en een andere situatiedefinitie naar voren te brengen.

INTERFERENTIEZONE TUSSEN SYSTEEM EN LEEFWERELD

Er bestaat tussen systeem en leefwereld een breed overgangsgebied, een interferentiezone tussen sys-teem en leefwereld, waarbinnen systeemimperatieve leefwereldverwachtingen voortdurend met elkaar botsen en met elkaar interfereren.

Dit geldt vooral voor scholengemeenschappen, in de zorgsector, maar ook in de meer arbeidsintensieve ondernemingen.

Door deze transformatie van een groot deel van de leefwereld naar het overgangsgebied ontstaat een vercommercialisering, een bureaucratisering en kolonialisering van deze leefwereld.

CULTURALISERING VAN DE SAMENLEVING

Tegelijk ontwikkelt zich een tegenovergesteld proces, als de culturalisering van het systeem, waarbinnen arbeid een communicatief karakter krijgt. Deze op communicatieve individualisering betrokken identiteitsmodellen zijn niet gebaseerd op concur-rentie en prestatiedwang en het individueel genieten van het walkman ego, maar staan in het teken van communicatieve en emotionele openheid en verwijzen naar gelijkwaardige relaties en authentieke emoties die op zich een intrinsieke waarde hebben voor de betrokkenen. De materiële vooruitgang die de consumptiemaatschappij biedt is intern verbonden met het walkman ego, van strategische, op concurrentie en prestatie gerichte, producerende relaties tussen mensen. Tegenover het maakbare systeem staat, wat we kunnen oproepen als de ruimte voor communicatieve individualiteit , zonder een beroep te hoeven doen op een eenheidsbelofte van een religieus of etnisch wereldbeeld. Door de ontwikkeling in de informatietechnologie wordt de scheiding tussen de systeemwereld en de leefwereld opgeheven. Dit vormt de uitdaging tot culturalisering van de samenleving om arbeid meer betekenistijd te geven. Het gezin is dan meer dan alleen maar een uitzendbureau , dat de kinderen naar school stuurt en de ouders naar hun werk. Het gezin of de pluriforme wijze van samenwonen, wordt dan weer het hart van de geculturaliseerde geïntegreerde samenleving.

POSTMODERNE COMMUNICATIEVE INDIVIDUALITEIT

Postmoderne Communicatieve Individualiteit staat in het teken van meervoudigheid en interferentie, in de zin van gelijktijdigheid van strategische en communicatieve individualiseringsprocessen.Deze individuele bestaansethiek berust mede op de ruimte die individuen krijgen en nemen om de ge-schiedenis van hun eigen leven te schrijven. Strategische handelingsvormen maken tot op zekere hoogte veilig en onkwetsbaar, maar leiden ook tot isolement en opsluiting in de eigen subjectiviteit. Communicatieve omgangsvormen daarentegen bieden uitzicht op solidaire relaties met vrijwillige erken-ning door anderen op basis van zelfonthulling, maar niet volledig en tot op zekere hoogte omsluierd en verhoogd daarmee ook de kwetsbaarheid voor pijnlijke invasies en overheersing door anderen.

ARBEID IN EEN POSTMODERNE ONDERNEMING

De hedendaagse management en organisatietheorie is erop gericht om communicatieve potenties en processen maximaal in dienst te stellen van een efficiënte bedrijfsvoering. Normatieve professionaliteit moet er omgekeerd voor zorgen dat arbeid een communicatieve dimensie krijgt en wel op normatieve en existentiële gronden, ook en juist wanneer de zorg voor de communicatieve kwaliteit interfereert met efficiency, resultaat en doelmatige bedrijfsvoering. In alle bedrijfssituaties in het overgangsgebied tussen systeem en leefwereld, dus in de gehele dienstver-lening, onderwijs en zorgsector, wordt arbeid gekenmerkt door het feit dat het voor de betrokkenen tegelijkertijd systeem en leefwereld is, een plek waar men tegelijkertijd efficiency een medeleven verwacht, deskundigheid en persoonlijke betrokkenheid, geavanceerde techniek en communicatieve gelijkwaardigheid.

NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT

In het overgangsgebied tussen systeem en leefwereld gaat het bij het welzijnswerk en bij arbeid in het algemeen niet om een dosis welzijn of geluk te creëren, maar gaat het om de betekenis die de interferentie oproept. In de arbeidstijd onderscheiden we daartoe twee soorten tijd, de prestatietijd en de betekenistijd. Prestatietijd is planbare, berekenbare tijd, het is kloktijd, die een egaal en voorspelbaar verloop heeft. In de prestatietijd gebeuren alleen maar dingen die van tevoren bedacht zijn. Alle onverwachte dingen gelden als afwijkingen en verstoringen, terwijl op prestatietijd alleen maar valt te besparen. Op betekenistijd kan niet bespaard worden, want deze tijd valt niet te berekenen. Een betekenisvol mo-ment, een blik van iemand die je raakt, kan de kleur van een hele dag bepalen. De sfeer in een groep kan radicaal veranderen wanneer iemand echt emoties durft te laten zien. De verhouding tot een collega kan radicaal veranderen, wanneer die een keer voor je in de bres springt of dat juist nalaat. De betekenistijd is open en juist deze openheid maakt dat betekenistijd met zin gevuld kan worden en intrinsieke betekenis kan hebben. Betekenistijd valt niet te plannen, maar kan wel opgeroepen worden. De intrinsieke betekenis is bepalend voor de aard van arbeid, zowel voor de cliënt, de doelgroep als voor de professional zelf. Arbeid dient recht te doen aan het spanningsveld, de interferentie tussen prestatietijd en betekenistijd. Arbeid ontwikkelt zich tot normatieve professionaliteit.

CULTURALISERING VAN DE SYSTEEMWERELD

De culturalisering van de systeemwereld blijkt uit: de toenemende betekenis van betaald werk voor de identiteit van postmoderne individuen; de problematische tweedeling tussen actieven en inactieven; toenemende afhankelijkheid van hoog ontwikkelde westerse economieën van kennis-intensieve, technologisch geavanceerde productieprocessen; toenemende aandacht binnen systeemcontexten voor de communicatieve kwaliteit van arbeid en organisatie.

WERK EN IDENTITEIT

Men pleit voor vergroting van de arbeidsparticipatie. In de nieuwe bijstandswet wordt de plicht voor baanloze mensen om zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt met financiële sancties kracht bijgezet, voornamelijk vanuit economische motieven. Voor het walkman-ego is betaald werk niet alleen onmiskenbaar een economisch belang, maar ook van doorslaggevende betekenis voor zijn identiteit. Daaruit vloeit voort de accentuering van de tweedeling, tussen actieven en niet actieven, waarvan de oorsprong niet in de leefwereld ligt maar die afhankelijk is van de vraag of iemand via een arbeidscontract in systeemcontexten kan participeren.

COMMUNICATIEVE KWALITEIT VAN ARBEID EN ORGANISATIE

Binnen systeemcontexten ontstaat aandacht voor de betekenis van communicatieve, culturele en persoonlijke hulpbronnen voor het realiseren van de doelstellingen van taakgerichte organisaties. Hiërarchie en regulering hebben plaats gemaakt voor het tot zijn recht laten komen van de human resources van een organisatie, weliswaar gericht op het rechtstreeks instrumentaliseren van communicatieve processen in dienst van bedrijfsdoelstellingen. Desalniettemin zal men bij het benadrukken van cultuur en communicatie toch centrale sturing en hiërarchisch doel en middel denken daarmee geleidelijk aan transformeren. Participatie van de leefwereld in systeemcontexten heeft niet alleen een materiële, maar in toenemende mate ook communicatieve betekenis.

LEEFWERELD

OVERGANGSGEBIED

SYSTEEMWERELD

  • privé relaties
  • informele groepen
  • lokaal bestuur
  • onderwijs
  • gezondheidszorg
  • welzijnswerk
  • massamedia
  • politieke instituties
  • bedrijven
  • markten
  • staats bureaucratieën

DE NIEUWE TWEEDELING

De dreigende maatschappelijke tweedeling heeft ertoe geleid dat de Minister van Sociale Zaken de werk-loosheid wil terugdringen tot een met de sociale partners af te spreken streefpercentage, de sociale norm. Het kabinetsbeleid staat dan ook in het teken van ‘werk, werk en nog eens werk’ Maar de tweedeling is een feit. Er zijn 1 miljoen Nederlanders die te oud, te laag opgeleid, te zwart of te vreemd zijn om een nuttige bijdrage aan de economische groei te leveren. Onze werkloosheidcijfers zijn geflatteerd, omdat de lage arbeidsparticipatie van vrouwen daarin niet verdisconteerd is.

ARBEID IN DE 21e EEUW

SAMENVATTENDE CONCLUSIE INZAKE AFNEMENDE PRESTATIEVE TIJD EN TOENEMENDE BETEKENIS TIJD VAN ARBEID.

-19e EEUW
Voor de ‘industriële revolutie kennen we een werkweek van 6 dagen van 16 uur per dag, geeft een werkweek van 96 uren per medewerker, gedurende 40 weken per jaar, geeft 3840 werkuren per jaar per medewerker.

20e EEUW
Na de industriële revolutie krijgen we een werkweek van 5 dagen van 9 uren per dag, van 45 uren per week per medewerker, gedurende ook 40 weken per jaar, maakt 1880 werkuren per jaar per mede-werker.
De werktijd is globaal gezegd “gehalveerd”! ten opzichte van de 19e eeuw.

21e EEUW
Na de informatie revolutie krijgen we een tweedaagse werkweek van 5 uur, gedurende 40 weken per jaar, maakt 400 uren per jaar per medewerker.
De werktijd wordt “gedecimeerd” ten opzichte van de 19e eeuw.

ARBEID IN DE 21E EEUW

  • DE WERKDAG bestaat uit een twee SHIFTS van 5 UUR PER DAG.
  • DE TWEEDAAGSE WERKWEEK gedurende 40 WEKEN PER JAAR, maakt 40 weken x 2 X 5 uren = 400 uren per man per jaar;
  • 4 miljard arbeidsuren / 400 uren =10 MILJOEN MEDEWERKERS gedurende 2 dagen per week, elk voor een SHIFT van 5 uur PER DAG gedurende 40 weken.
  • STRATEGISCHE PRESTATIEVE ARBEID INTERFEREEERT met COMMUNICATIEVE, CREATIEVE en BETEKENISVOLLE CONTEMPLANTIEVE ARBEID voor 4 miljard arbeidsuren;
  • 400 uren tegen € 50 per uur maakt een FISCAAL ONBELASTE BELONING VOOR ARBEID VAN € 20.000 per jaar;
  • EEN FISCAAL ONBELAST BASISINKOMEN VAN € 5.000 per jaar completeert het CONSUMPTIEF TE BESTEDEN JAARINKOMEN TOT € 25.000 PER JAAR, uitgedrukt in KOOPKRACHT voor het jaar 2010.

Middels de groeiende interferentiezone wordt de afstand opgeheven tussen STRATEGISCHE PRESTATIEVE ARBEID enerzijds en COMMUNICATIEVE CREATIEVE EN BETEKENISVOLLE CONTEMPLATIEVE ARBEID anderzijds.
PRESTATIETIJD binnen ARBEID interfereert als het ware met BETEKENISTIJD en zal een bevrijdend karakter geven aan arbeid.
We staan aan het begin van de 21e eeuw voor de uitdaging die luidt:

ARBEID IN HET NIEUWE WERKEN KOMT LOS UIT ZIJN BEKLEMMING DIE VOORTVLOEIT UIT HET STRATEGISCHE KARAKTER WAARIN ARBEID ALS PRESTATIEVE TIJD TOT UITDRUKKING WORDT GEBRACHT EN KRIJGT IN COMMUNICATIEVE VORM, ALS BETEKENISTIJD ZIJN WAARDE TERUG.

ARBEIDSTIJDVERKORTING ALS GEVOLG VAN GESTEGEN ARBEIDSPRODUCTIVITEIT
Volgens Keynes zal de structurele werkgelegenheid, bij een arbeidsproductiviteit stijging van € 100.000 naar € 200.000 per medewerker per jaar, afnemen van 5 miljoen naar 2,5 miljoen medewerkers.
Bestedingsevenwicht van € 500 miljard zal dan bij een arbeidsproductiviteit van € 200.000 een ‘structurele werkgelegenheid’ opleveren van ruim 2,5 miljoen arbeidsjaren van 1600 uur per jaar.( 40 weken x 40 uren), maakt in totaal 4 miljard arbeidsuren.
Korter werken voor 10 miljoen arbeidsjaren van 400 uur per jaar (40 weken x 10 uren) arbeid met een overmaat aan betekenistijd, behoort dan tot de mogelijkheden.

  • De beroepsbevolking bedraagt in 2010 reeds 6 miljoen medewerkers;
  • De aanwas van de beroepsbevolking gedurende de komende 10 jaren tot aan 2020 bedraagt nog eens 4 miljoen medewerkers, bestaande uit een instroom vrouwelijke en allochtone medewerkers, in totaal 10 miljoen flexie medewerkers;
  • Structurele werkgelegenheid van 4 miljard arbeidsuren verdeeld over 10 miljoen medewerkers bedraagt in totaal 400 werkuren, dat is 80 dagen per jaar, van 5 uren per dag per medewerker;
  • De bedrijfstijdverlenging tot vol continue dienst voor alle branches en alle sectoren van het bedrijfsleven biedt de mogelijkheid de productie in 4 shifts van 5 uren per dag, dus 20 uren per dag effectieve productie op te voeren, in afwisseling met 4 uren per dag voor onderhoud en revisie.
  • De arbeidstijdverkorting die moet worden doorgevoerd leidt dan tot een tweedaagse werkweek van 5 uren per dag per medewerker, voor in totaal 10 miljoen flexie medewerkers;

BASiSINKOMEN OP LANGE EN MIDDELLANGE TERMIJN

Het BASISINKOMEN vormt de breuk met het productivisme, door te kiezen voor meer vrije tijd in plaats van meer consumptie.

BASISINKOMEN TER BESTRIJDING VAN ONVRIJWILLIGE WERKLOOSHEID
De hoogte van het basisinkomen is bepalend voor de mate waarin het totale arbeidsaanbod afneemt.
Bij structureel onvoldoende arbeidsplaatsen, kan de vaststelling van de hoogte van het basisinkomen worden gebruikt om de geaggregeerde vraag en aanbod van arbeid beter op elkaar af te stemmen.
Als men bereid is een prijs te betalen om over het schaarse goed van een arbeidsplaats te beschikken, dan kan de opbrengst daarvan worden gebruikt om diegenen, die vrijwillig afzien van een gedeelte van betaald werken, een ‘afkoopinkomen’ te verschaffen.
Verdeel het recht op arbeid gelijkelijk over alle potentiële aanbieders van arbeid en maak het recht verhandelbaar.
Het Centrum voor Werk in Inkomen bepaalt jaarlijks:

n = de arbeidsvraag
m = het arbeidsaanbod
Het arbeidsbureau deelt jaarlijks aan alle potentiële arbeidskrachten een arbeidscertificaat met n / m aantal arbeidscoupons.

De coupons geven recht op een arbeidsplaats gedurende n / m x 52 werkweken per jaar.
Niemand heeft bij voorbaat recht op een volledige baan.
Omdat de coupons verkocht kunnen worden, heeft iedereen een verhandelbaar recht op een gelijk werkgelegenheidsaandeel en is daarmee de basis gelegd voor een gefundeerd basisinkomen.
Een optimale hoogte van het basisinkomen verhoogt de keuzevrijheid tussen betaalde arbeid en onbetaalde arbeid.
Bij geringe structurele werkloosheid, wordt n bijna net zo groot als m , zodat het afkoopinkomen in waarde daalt en onvoldoende is, om daarmee zich in het levensonderhoud te voorzien. Voor hen moeten aanvullende regelingen worden getroffen, zoals een verhoogd voorwaardelijk basisinkomen.

BASISINKOMEN EN ONDERWIJS

Als mensen door het basisinkomen minder gaan werken, zal het rendement van scholing afnemen en zal de voorkeur uitgaan naar kortere opleidingen, die uitzicht bieden op plezierig werk om aanvullend loon te verdienen bovenop het basisinkomen.
Met sturend beleid door gedifferentieerde lesgelden dient de overheid het onderwijs te sturen.
Ook het bedrijfsleven dient gestimuleerd te worden door infrastructurele investeringen en kennisontwik-keling.
Ondanks het feit dat een basisinkomen nadruk legt op de vrije werking van de markt, blijft overheids-beleid noodzakelijk om de economie bij te sturen om de maatschappelijke keuze voor het basisinkomen blijvend te realiseren.
Men kan dit de paradox van de keuzevrijheid in de verzorgingsstaat noemen.
Enerzijds trekt de overheid zich terug uit de sfeer waarin burgers hun afwegingen maken tussen inkomen en vrije tijd, door het invoeren van een minimum basinkomen.
Anderzijds moet de overheid meer greep krijgen op persoonlijke beslissingen, die verder reiken dan het individuele persoonlijke belang.
De P.v.d.A. stelt als doel invoering van een volledig basisinkomen, als onvoorwaardelijke uitkering op het niveau van het sociaal minimum, in te voeren in een periode van 25 jaar, te realiseren in 2025.
Als overgangsregeling geldt de invoering in het jaar 2015 van een gedeeltelijk basisinkomen van 50 % van een welvaartsvast sociaal minimum, aangevuld met een zeer bescheiden ministelsel in de vorm van een volksverzekering en een bijstandsregeling.
In juni 1998 is bij de formatie van het tweede paarse kabinet voor het eerst de geïndividualiseerde heffingskorting in het nieuwe belastingstelsel, als invoering van het Basisinkomen in 2001 aangekondigd.
De heffingskorting is voorlopig op € 1.500 per jaar vastgesteld, dat is 12,5 % van het sociaal minimum-inkomen dat werkenden van hun te betalen belastingbedrag af mogen trekken en de niet actieven uitgekeerd krijgen, aangevuld met een minimale arbeidsongeschiktheids en werkloosheidsverzekering..

VOORDELEN VAN HET ARBEIDSLOOS BASISINKOMEN ALS GRONDRECHT:

  • men heeft geen wettelijke verplichting meer om betaalde arbeid te verrichten;
  • het ernstige ontmoedigingseffect van het huidige uitkeringssysteem wordt opgeheven;
  • vereenvoudiging van het stelsel van sociale zekerheid;
  • het ingewikkelde uitkeringssysteem kan verdwijnen;
  • de inbreuk op de privacy door koppeling van uitkeringsbestanden zal verminderen;
  • controlemaatregelen voor het inkomensbeleid zijn overbodig;
  • fraudegevoeligheid van het inkomens herverdelingssysteem wordt veel geringer;
  • keuzevrijheid voor de individuele burger wordt groter;
  • opheffing van de armoedeval;
  • ontmoediging van zwart werk;
  • verlaging van de relatieve arbeidskosten;
  • flexibilisering van de productie;
  • stimulering technologische vernieuwing door vermindering van de sociale effecten daarvan;
  • verbetering van de arbeidsomstandigheden.
  • ieder heeft wel de morele plicht om betaalde arbeid te verrichten die financieel afdwingbaar is, of onbe-taald arbeid te verrichten die door sociale controle wordt gereguleerd, om zo een bijdrage te leveren aan de samenleving;
  • het opzetten van kleine bedrijven zal toenemen, omdat de zekerheid van een arbeidsloos basisinkomen dat mogelijk maakt;
  • de maatschappelijke waardering voor onbetaald werk wordt groter;
  • er zal verschuiving plaatsvinden van ondernemingen met een hoge productie per werknemer (kapitaal-intensieve bedrijven) naar bedrijven met een lage productie per werknemer (arbeidsintensieve bedrijven).
  • je kunt ook een kleinschalig, milieuvriendelijk bedrijfje beginnen;
  • maar ook een kleinschalig arbeidsintensief boerenbedrijf runnen;
  • je kunt gaan studeren, het huishouden gaan doen, maatschappelijke hulpverlening oppakken, klusjes opknappen of een vereniging steunen;
  • je hoeft je niet eerst arbeidsongeschikt te werken om te stoppen met betaald werk;

Het ARBEIDSLOOS INKOMEN van € 5.000 per jaar per persoon van boven de achttien jaren oud, ligt rond de 25 % van het Nationaal Inkomen.

Dit 25 % percentage werkt zelfregulerend:
daalt het arbeidsaanbod, door de keuze voor meer vrije tijd, dan daalt het Nationaal Inkomen en daarmee het basisinkomen, waardoor het arbeidsaanbod weer toeneemt, totdat een evenwicht wordt bereikt;
stijging van de arbeidsproductiviteit, waardoor het Nationaal Inkomen stijgt, leidt ook tot een stijging van het basisinkomen.

CONCLUSIE:
De invloed van de arbeidsproductiviteit als gevolg van informatie technologie op het Nationaal Inkomen is veel groter dan de invloed van het arbeidsaanbod, waardoor de hoogte van het Basis Inkomen meer en meer afhankelijk wordt van de toegevoegde waarde capaciteit van kapitaal en informatie technologie.

Voor grote groepen in de samenleving bestaat dit arbeidsloos inkomen reeds gedurende het einde van de vorige eeuw als aanvullende of vervangende beloning voor arbeid in de vorm van:

  • kinderbijslag
  • studiefinanciering
  • huursubsidie
  • algemene bijstandsuitkering
  • werkloosheidsuitkering
  • arbeidsongeschiktheidsuitkering
  • vervroegde uittredingsuitkering
  • pensioenuitkering
  • algemene ouderdomsuitkering
  • invaliditeitsuitkering

MICRO ECONOMISCHE ARBEIDSMARKTFACETTEN VAN HET BASISINKOMEN.

voor werknemers komt het basisinkomen onderop hun loon, waardoor het netto verdiende loon lager zal worden; korter werken kost minder achteruitgang in netto loon; langer werken houdt minder extra netto loon over; de marginale opbrengst van een uur arbeid wordt 33 % minder; de marginale prijs voor een uur vrije tijd wordt 33 % goedkoper; de nuts maximaliserende werknemer zal minder uren willen gaan werken, hetgeen de arbeidstijd-verkorting bevordert en de participatiegraad verhoogd.

CONCLUSIE :

laag betaalde werknemers willen korter gaan werken;
laag betaalde deeltijdwerkers zullen ophouden met werken;
hoog betaalde werknemers zullen langer gaan werken om hun inkomensachteruitgang te compen-seren;
uitkeringsgerechtigden zullen niet meer op hun basisinkomen worden gekort, terwijl nu de marginale inhouding op inkomen uit arbeid 100 % bedraagt;
de sollicitatieplicht voor uitkeringsgerechtigden vervalt.
flexibilisering van de arbeidsmarkt door vermindering van storende regelgeving;
minimum loon verlagen of afschaffen omdat de sociale zekerheid is verplaatst van binnen naar buiten de arbeidsmarkt;
de kloof verdwijnt tussen onbetaald werk en werk tegen het minimum loon;
de ontslagwetgeving kan worden versoepeld, omdat de werknemer sterker staat tegenover de werkgever;
regulering van flexibel werken om de inkomenspositie van de arbeidskrachten veilig te stellen wordt daarmee overbodig.

PER SALDO EEN TOENAME VAN DE PARTICIPATIEGRAAD, ALS HET ARBEIDSAANBOD IN PERSONEN;
EEN AFNAME VAN HET ARBEIDSAANBOD IN UREN.

HET BASISINKOMEN GEEFT GEEN HERVERDELING VAN DE BELONING VOOR DE PRODUKTIE-FAKTOREN ARBEID EN KAPITAAL.

het basisinkomen vermindert de onvrijwillige werkloosheid;
meer werkgelegenheid vermindert het loondrukkend effect;
het basisinkomen zal op de werkgever worden afgewenteld, hetgeen leidt tot prijsstijging waardoor de concurrentiepositie van het bedrijfsleven ten opzichte van het buitenland verslechtert;
het basisinkomen wordt gefinancierd uit:
heffing arbeidsinkomen, waardoor de arbeidsintensieve bedrijven de rekening betalen;
b.t.w.heffing, waardoor de kapitaalintensieve bedrijven voor de kosten opdraaien;
informatieheffing, waarbij de dienstverlenende bedrijven alles betalen.
BELONING VOOR ARBEID VOOR INVOERING BASISINKOMEN
loonquote x B.B.P = 0.8 x 500 mld euro = 400 mld euro;
aantal meewerkers x aantal uren x uurloon = 10 miljoen x 800 uren x 50 euro/uur = 400 mld euro;
de belasting en sociale premiedruk = 60 % , zodat na belasting en sociale premie netto overblijft 400 mld euro 240 mld euro = 160 mld euro.

BELONING VOOR ARBEID NA INVOERING BASISINKOMEN
De beloning voor arbeid bestaat uit twee componenten t.w.

HET BASISINKOMEN voor 15 miljoen Nederlanders voor € 5.000 per Nederlander bedraagt € 75 miljard ;
HET ADDITIONEEL ARBEIDS INKOMEN van € 50 X 160 UREN = € 8.000 per persoon per jaar, voor 10 miljoen medewerkers, maakt 80 miljard euro.
TOTALE LOONSOM BEDRAAGT € 75 miljard + € 80 miljard = € 155 miljard netto zonder belasting en sociale premie druk.

DE LOONKOSTEN VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zijn gereduceerd van 400 mld euro naar 155 mld euro, de loonkosten zijn ruim gehalveerd, hetgeen de concurrentie positie van het bedrijfsleven naar het buitenland aanzienlijk verbetert en de migratie van arbeid binnen Europa mogelijk maakt.

ARBEID HISTORISCH GEZIEN

HET BEGRIP ARBEID KENT AL EEN LANGE GESCHIEDENIS, ZOLANG ALS DE MENS FILOSOFEERT.

Als ontwikkeling in het algemeen en dus ook voor ‘arbeid’ geldt :

HET ARCHAÏSCH DENKEN
Evenwichtige ordening
Goden en mensen
Vrijen en slaven
HET MIDDELEEUWSE DENKEN
God
Geschapen werkelijkheid
Geordend karakter van de werkelijkheid
MODERNE DENKEN
De mens
Maakbare en manipuleerbare werkelijkheid
Regels en afspraken

PLATO kent de ideeënwereld, als de essentie, het ware zijnde als transcendente onveranderlijke werke-lijkheid, tegenover de zichtbare werkelijke wereld van het worden, als de schijnwerkelijkheid.
De regeerders richten zich op het eeuwige, de Idee van het Goede, die de hoogste Idee vormt. De regeer-ders dienen dus filosofen te zijn, die zich niet laten afleiden door de zintuiglijke waarneembare dingen.
In de parabel van de Grot, komt de twee werelden theorie naar voren. De wereld in de grot staat voor de allerdaagse zichtbare schijnwerkelijkheid, terwijl de buitenwereld correspondeert met de ware werkelijk-heid, met de Ideeën. De zon staat voor de Idee van het Goede, de grondslag van alle werkelijkheid en zijn.
PLATO neemt in zijn filosofie afstand van de werkelijkheid om het wezen dichter te kunnen benaderen. In de scheiding tussen werkelijkheid en wezen ligt de kern van het Platonisme.

ARISTOTELES 384 v.o.j. Stageira in Thracie in Noord Griekenland.
Ook Aristoteles denkt vanuit een ontologie, die tegelijk een ethische strekking heeft, van waaruit de sa-menleving wordt doordacht.
Het wezen van de dingen bestaat volgens Aristoteles niet in de vorm van een Idee, die transcendent is aan de dingen, maar is ‘immanent’ aan de dingen zelf.

De staat kent drie standen, werkers, wachters en regeerders. De wachters leven in communeverband. Uit de beste wachters worden de toekomstige regeerders van de staat geboren. De wachters en regeerders worden onderhouden door de werkende stand, zoals de boeren, de ambachtslieden en handelaren. De slaven zijn natuurlijk slaaf en dat is voor hen nuttig en rechtvaardig.
Arbeid als het werk van slaven was daarom bij voorbaat al verachtelijk. Het was beneden de waardigheid van vrije mannen om inkomsten uit arbeid te krijgen.
Voor de vrije burgers is arbeid echter een onwaardige activiteit. Zij houden zich met ‘hogere’ geestelijke zaken bezig, zoals debatteren, filosoferen en spelen. Dit alles is echter mogelijk bij gratie van slaven die daarvoor de materiële bestaansvoorwaarden scheppen.
Echte vrije mensen maken zich onbaatzuchtig verdienstelijk voor de gemeenschap. Alleen intellectuele arbeid wordt menswaardig gevonden. De minachting van de Grieken en de Romeinen voor arbeid is daarom een klasse gebonden oordeel.

Het CHRISTENDOM leert, in navolging van het Oude Testament, een positieve waardering voor arbeid en veroordeling van ledigheid. De plicht tot arbeid was een morele plicht door God opgelegd na de zondeval. Ora et labora, het was de religieuze context die de arbeid zijn waarde geeft.
Met Thomas van Aquino behaalt het Aristolelisme een overwinning die duurzaam is. Filosofie is goddelijk en bovenmenselijk, omdat ze het geheel wil overzien. Dat geheel is de kosmos, als de uit hemel en aarde bestaande samenhang, die elkaar in evenwicht houden, door Gods hand gestuurd.

ARBEID IN DE MIDDELEEUWEN vanaf de 12e eeuw
In een zelfverzorgende agrarische samenleving voorziet onbetaalde arbeid in het grootste deel van het levensonderhoud. Arbeid voor geld of voor een ander ruilmiddel neemt een ondergeschikte plaats in.
In de Middeleeuwen wordt ook door het Christendom er vanuit gegaan dat arbeid voor iedereen geldt als een opdracht van God. De Kerkvaders en Scholastici benadrukken de christelijke plicht tot arbeid.
Vanaf de 12e eeuw ontstaat er door toenemende handel en door de invoering van de nijverheid een grotere verscheidenheid aan arbeid.
De overgang van een agrarische economie naar een geldeconomie maakt dat betaalde arbeid op de eerste plaats komt. Arbeid wordt veelal primair gezien als handenarbeid ten behoeve van het directe levensonderhoud.
Arbeid begint onpersoonlijker te worden, de nauwe band tussen productie en consumptie wordt steeds losser.
Pas na de Middeleeuwen krijgt de baas-knecht relatie een centrale plaats in de maatschappij. Die niet wilde werken wordt met geweld gedwongen. Rond 1350 worden landlopers en bedelaars in West Europa met geweld aan het werk gezet.
De arbeiders bieden eeuwenlang een taai verzet tegen de scheiding tussen wonen en werken, consumptie en productie, leven en arbeid. Kortom, verzet tegen de loonarbeid.

HET MATERIALISME VAN DE DUITSE WIJSBEGEERTE in de 19e Eeuw
HET HISTORISCH MATERIALISME van KARL MARX
Volgens Marx heeft het Idealisme slechts de denkactiviteit op het oog. Marx wil daarom de activiteit met de zintuiglijkheid combineren. Hij wil in het materialisme, de zintuiglijke activiteit, dus de daadwerkelijke tastbare activiteit, van de mens benadrukken.
De samenleving wordt ingedeeld in een ‘basis’, de economie en een ‘bovenbouw’ die bestaat uit het juri-dische en politieke als recht en staat en uit de maatschappelijke bewustzijnsvormen zoals godsdienst, kunst, wetenschap en filosofie.
De stelling van Marx luidt: ‘dat de basis de bovenbouw bepaalt’.
Marx plaats de economische vervreemding op één lijn met de religieuze vervreemding van Feuerbach.
Vanuit de vervreemdingstheorie geeft Marx kritiek op de economische theorie. Hij stelt dat de nationale economie de vervreemding over het hoofd ziet. Het valt daardoor niet op dat de producten van arbeid niet aan de eigenlijke producenten toevallen, maar aan de kapitalist waardoor de kapitalistische private eigen-dom wordt gecreëerd.
De vervreemding kan op verschillend niveau plaatsvinden :
de vervreemding van het ‘product’;
de vervreemding van de arbeid, als producerende activiteit zelf;
de vervreemding van de medemens.

KARL MARX ziet de arbeid centraal in zijn maatschappij opvattingen
de productieverhoudingen vormen de onderbouw, waarop de bovenbouw van de maatschappij structuren zijn gebaseerd;
de arbeidswaardeleer benadrukt het verschil tussen de ruilwaarde en de gebruikswaarde van arbeid;
de mens wordt van zijn arbeid vervreemd, hetgeen een soort ‘dwangarbeid’ oplevert;
de mens streeft ernaar om zijn behoeften buiten de arbeid te bevredigen, zodat als er geen arbeidsdwang meer aanwezig is, de arbeid wordt gemeden als de pest;
loon voor arbeid is dan een gruwel en een direct gevolg van de vervreemde arbeid;
arbeid wordt gedegradeerd tot werk, als middel om in leven te blijven;

HET MODERNE DENKEN EN DE ARBEID in de 20e Eeuw
Het begrip arbeid kent slechts een korte geschiedenis.
Arbeid is ontstaan binnen de industriële revolutie, als:
arbeid binnen een afgebakende tijdsduur;
arbeid beschikbaar stellen aan een ander;
tegen een vaste beloning;
terwijl het werkdoel niet zelf wordt bepaald;
de mens is daarbij slaaf geworden van de arbeid, door het ‘communicatieve’ element te verwaarlozen;

Het ‘STRATEGISCH HANDELEN’ kenmerkt zich door een doelrationele en instrumentele manier van met elkaar omgaan. Men probeert in de omgang mat de ander zijn individueel doel zo efficiënt mogelijk na te streven. Dit is alleen mogelijk door empirische prikkels zoals macht en geld. Wie uit eigenbelang van een ander iets gedaan wil krijgen, kan dreigen met fysiek geweld of een financiële beloning in het vooruitzicht stellen.
Strategisch handelen gaat gepaard met al dan niet merkbare dwang, waarbij de taal gebruikt wordt om de ander in feite te manipuleren, terwijl in het communicatief handelen de wezenlijke eigenschap van taal, namelijk te komen tot ‘Verständigung’ aan bod komt.

In het COMMUNICATIEF HANDELEN kan de uitspraak op één van de geldigheidsaanspraken bekriti-seerd en beargumenteerd worden en dat is wat Habermas communicatieve rationaliteit noemt, in tegen-stelling met cognitief instrumentele of doelrationaliteit, waarbij het alleen gaat over de waarheid van onze kennis over de buitenwereld en de effectiviteit van ons ingrijpen daarin.
Binnen de communicatieve rationaliteit is datgene rationeel, wat op goede gronden wordt gedaan, die slechts doordat ze in de taal expliciet gemaakt worden, goede gronden blijken te zijn. Deze vorm van rationaliteit ligt dus potentieel in de taligheid van ons bestaan opgesloten en wordt geactiveerd, wanneer de taal als medium van communicatief handelen wordt gebruikt.

DE LEEFWERELD EN SYSTEEMWERELD
Habermas komt in zijn ’Maatschappijtheorie’ opnieuw tot een fundamentele tweedeling, namelijk tussen ‘Leefwereld en ‘Systeemwereld’.
Habermas neemt het begrip ‘Leefwereld’ over van de fenomenologie, maar werkt het in communicatieve zin uit.
DE LEEFWERELD is het geheel van vooronderstellingen die cultureel bepaald zijn en de horizon vormen waartegen alle communicatieve processen zich afspelen. De leefwereld is de culturele overlevering , zoals deze tegelijkertijd voortdurend wordt vernieuwd door steeds verschuivende thema’s, die wel expliciet ter discussie worden gesteld. De leefwereld bestaat, behalve uit opvattingen en interpretaties, ook uit instituties en personen in de vorm van cultuur, maatschappij en persoon.
DE SYSTEEMWERELD daarentegen wordt bepaald door de ‘Systemische Integratie’, waarbij ook verbinding plaats vindt van mensen en hun handelen achter de rug van betrokkenen om, zoals in het markt-mechanisme binnen het kapitalisme, als een zichzelf sturende eenheid, afgestemd op het behoud van evenwicht om zichzelf tegenover de omgeving in stand te houden.
Op het raakvlak tussen systeem en leefwereld worden door de systemen sturingsproblemen in economie en staat afgewenteld op de leefwereld. Allerlei ziekteverschijnselen in de leefwereld, zoals problemen met legitimatie, motivatie en opvoedingscrises zijn daarvan het gevolg. Veel van de nieuwe sociale bewegingen zijn een verzet tegen de systemen en vóór een communicatief rationele benadering. Het gaat hierbij niet zozeer om economische en sociale zekerheid, maar eerder om de kwaliteit van het bestaan, om gelijke rechten en zelfontplooiing, om participatie en om mensenrechten, zoals in de groene beweging, de vrouwenbeweging, de vredesbeweging, de democratiseringsbeweging en sommige nieuwe religieuze bewegingen.
HABERMAS COMMUNICATIEF HANDELEN
Habermas theorie van communicatief handelen bouwt voort op de tegenstelling tussen strategisch en communicatief handelen. Communicatief handelen biedt de interactiepartners de gelegenheid om zo nodig ‘nee’ te zeggen tegen normen en waarden, die de ander naar voren brengt, zonder dat de interactie wordt afgebroken of de overgang naar strategisch handelen impliceert.
Habermas maatschappij theorie wordt gevormd door de complementariteit tussen het communicatieve handelen enerzijds en de leefwereld anderzijds.
Voor Habermas is de rationaliteit en de geweldloosheid van het communicatieve handelen afhankelijk van de vraag of de toehoorder, ondanks de verleidingskracht van het discourgenre “nee” kan zeggen tegen deze verleiding om zo verplichtend gesuggereerde aankoppelingspaden af te wijzen en een andere situatiedefinitie naar voren te brengen.

INTERFERENTIEZONE TUSSEN SYSTEEM EN LEEFWERELD
Er bestaat tussen systeem en leefwereld een breed overgangsgebied, een interferentiezone tussen sys-teem en leefwereld, waarbinnen systeemimperatieve leefwereldverwachtingen voortdurend met elkaar botsen en met elkaar interfereren.
Dit geldt vooral voor scholengemeenschappen, in de zorgsector, maar ook in de meer arbeidsintensieve ondernemingen.
Door deze transformatie van een groot deel van de leefwereld naar het overgangsgebied ontstaat een vercommercialisering, een bureaucratisering en kolonialisering van deze leefwereld.

CULTURALISERING VAN DE SAMENLEVING
Tegelijk ontwikkelt zich een tegenovergesteld proces, als de culturalisering van het systeem, waarbinnen arbeid een communicatief karakter krijgt.
Deze op communicatieve individualisering betrokken identiteitsmodellen zijn niet gebaseerd op concur-rentie en prestatiedwang en het individueel genieten van het walkman ego, maar staan in het teken van communicatieve en emotionele openheid en verwijzen naar gelijkwaardige relaties en authentieke emoties die op zich een intrinsieke waarde hebben voor de betrokkenen.
De materiële vooruitgang die de consumptiemaatschappij biedt is intern verbonden met het walkman ego, van strategische, op concurrentie en prestatie gerichte, producerende relaties tussen mensen.
Tegenover het maakbare systeem staat, wat we kunnen oproepen als de ruimte voor communicatieve individualiteit , zonder een beroep te hoeven doen op een eenheidsbelofte van een religieus of etnisch wereldbeeld.
Door de ontwikkeling in de informatietechnologie wordt de scheiding tussen de systeemwereld en de leefwereld opgeheven. Dit vormt de uitdaging tot culturalisering van de samenleving om arbeid meer betekenistijd te geven. Het gezin is dan meer dan alleen maar een uitzendbureau , dat de kinderen naar school stuurt en de ouders naar hun werk. Het gezin of de pluriforme wijze van samenwonen, wordt dan weer het hart van de geculturaliseerde geïntegreerde samenleving.

POSTMODERNE COMMUNICATIEVE INDIVIDUALITEIT
Postmoderne Communicatieve Individualiteit staat in het teken van meervoudigheid en interferentie, in de zin van gelijktijdigheid van strategische en communicatieve individualiseringsprocessen.
Deze individuele bestaansethiek berust mede op de ruimte die individuen krijgen en nemen om de ge-schiedenis van hun eigen leven te schrijven.
Strategische handelingsvormen maken tot op zekere hoogte veilig en onkwetsbaar, maar leiden ook tot isolement en opsluiting in de eigen subjectiviteit.
Communicatieve omgangsvormen daarentegen bieden uitzicht op solidaire relaties met vrijwillige erken-ning door anderen op basis van zelfonthulling, maar niet volledig en tot op zekere hoogte omsluierd en verhoogd daarmee ook de kwetsbaarheid voor pijnlijke invasies en overheersing door anderen.

ARBEID IN EEN POSTMODERNE ONDERNEMING
De hedendaagse management en organisatietheorie is erop gericht om communicatieve potenties en processen maximaal in dienst te stellen van een efficiënte bedrijfsvoering. Normatieve professionaliteit moet er omgekeerd voor zorgen dat arbeid een communicatieve dimensie krijgt en wel op normatieve en existentiële gronden, ook en juist wanneer de zorg voor de communicatieve kwaliteit interfereert met efficiency, resultaat en doelmatige bedrijfsvoering.
In alle bedrijfssituaties in het overgangsgebied tussen systeem en leefwereld, dus in de gehele dienstver-lening, onderwijs en zorgsector, wordt arbeid gekenmerkt door het feit dat het voor de betrokkenen tegelijkertijd systeem en leefwereld is, een plek waar men tegelijkertijd efficiency een medeleven verwacht, deskundigheid en persoonlijke betrokkenheid, geavanceerde techniek en communicatieve gelijkwaardigheid.

NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT
In het overgangsgebied tussen systeem en leefwereld gaat het bij het welzijnswerk en bij arbeid in het algemeen niet om een dosis welzijn of geluk te creëren, maar gaat het om de betekenis die de interferentie oproept.
In de arbeidstijd onderscheiden we daartoe twee soorten tijd, de prestatietijd en de betekenistijd.
Prestatietijd is planbare, berekenbare tijd, het is kloktijd, die een egaal en voorspelbaar verloop heeft. In de prestatietijd gebeuren alleen maar dingen die van tevoren bedacht zijn. Alle onverwachte dingen gelden als afwijkingen en verstoringen, terwijl op prestatietijd alleen maar valt te besparen.
Op betekenistijd kan niet bespaard worden, want deze tijd valt niet te berekenen. Een betekenisvol mo-ment, een blik van iemand die je raakt, kan de kleur van een hele dag bepalen.
De sfeer in een groep kan radicaal veranderen wanneer iemand echt emoties durft te laten zien. De verhouding tot een collega kan radicaal veranderen, wanneer die een keer voor je in de bres springt of dat juist nalaat.
De betekenistijd is open en juist deze openheid maakt dat betekenistijd met zin gevuld kan worden en intrinsieke betekenis kan hebben. Betekenistijd valt niet te plannen, maar kan wel opgeroepen worden.
De intrinsieke betekenis is bepalend voor de aard van arbeid, zowel voor de cliënt, de doelgroep als voor de professional zelf.
Arbeid dient recht te doen aan het spanningsveld, de interferentie tussen prestatietijd en betekenistijd.
Arbeid ontwikkelt zich tot normatieve professionaliteit.

CULTURALISERING VAN DE SYSTEEMWERELD
De culturalisering van de systeemwereld blijkt uit:
de toenemende betekenis van betaald werk voor de identiteit van postmoderne individuen;
de problematische tweedeling tussen actieven en inactieven;
toenemende afhankelijkheid van hoog ontwikkelde westerse economieën van kennis-intensieve, technologisch geavanceerde productieprocessen;
toenemende aandacht binnen systeemcontexten voor de communicatieve kwaliteit van arbeid en organisatie.

WERK EN IDENTITEIT
Men pleit voor vergroting van de arbeidsparticipatie. In de nieuwe bijstandswet wordt de plicht voor baanloze mensen om zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt met financiële sancties kracht bijgezet, voornamelijk vanuit economische motieven.
Voor het walkman-ego is betaald werk niet alleen onmiskenbaar een economisch belang, maar ook van doorslaggevende betekenis voor zijn identiteit.
Daaruit vloeit voort de accentuering van de tweedeling, tussen actieven en niet actieven, waarvan de oorsprong niet in de leefwereld ligt maar die afhankelijk is van de vraag of iemand via een arbeidscontract in systeemcontexten kan participeren.

COMMUNICATIEVE KWALITEIT VAN ARBEID EN ORGANISATIE
Binnen systeemcontexten ontstaat aandacht voor de betekenis van communicatieve, culturele en persoonlijke hulpbronnen voor het realiseren van de doelstellingen van taakgerichte organisaties. Hiërarchie en regulering hebben plaats gemaakt voor het tot zijn recht laten komen van de human resources van een organisatie, weliswaar gericht op het rechtstreeks instrumentaliseren van communicatieve processen in dienst van bedrijfsdoelstellingen.
Desalniettemin zal men bij het benadrukken van cultuur en communicatie toch centrale sturing en hiërarchisch doel en middel denken daarmee geleidelijk aan transformeren.
Participatie van de leefwereld in systeemcontexten heeft niet alleen een materiële, maar in toenemende mate ook communicatieve betekenis.

LEEFWERELD
OVERGANGSGEBIED
SYSTEEMWERELD
privé relaties
informele groepen
lokaal bestuur
onderwijs
gezondheidszorg
welzijnswerk
massamedia
politieke instituties
bedrijven
markten
staats bureaucratieën

DE NIEUWE TWEEDELING
De dreigende maatschappelijke tweedeling heeft ertoe geleid dat de Minister van Sociale Zaken de werk-loosheid wil terugdringen tot een met de sociale partners af te spreken streefpercentage, de sociale norm.
Het kabinetsbeleid staat dan ook in het teken van ‘werk, werk en nog eens werk’
Maar de tweedeling is een feit. Er zijn 1 miljoen Nederlanders die te oud, te laag opgeleid, te zwart of te vreemd zijn om een nuttige bijdrage aan de economische groei te leveren.
Onze werkloosheidcijfers zijn geflatteerd, omdat de lage arbeidsparticipatie van vrouwen daarin niet verdisconteerd is.
Deze tweedeling heeft een cultureel karakter en is gebaseerd op de culturele achtergrond en culturele inhoud van individuen. Zij zijn niet alleen laag opgeleid, maar missen omgangsvormen, maatschappelijk zelfvertrouwen, het vanzelfsprekende initiatief en de netwerken die de winners van de losers onderscheidt.
Narratieve individualiteit en zorg in brede zin zijn sleutelwoorden om deze tweedeling leefbaar te maken. Daartoe dient prestatietijd en betekenistijd te worden verenigd om de intrinsieke betekenis van arbeid tot zijn recht te laten komen.

POSTMODERNE POLITIEK
De postmoderne politiek dient gericht te zijn op het versterken van communicatieve rationaliteit en het vergroten van ruimte voor narratieve individuëring.
Bedrijfsorganisaties dienen als bedrijven aangesproken te worden op hun eigen mogelijkheden om in betekenistijd te investeren. Dat is meer een kwestie van creativiteit, sensibiliteit en lol in het werk dan van geld.
Bij overheid en particuliere bedrijven dient naast technische professionaliteit ruimte te worden geschapen voor normatieve professionalisering, voor het bewust omgaan met normatieve vragen.
Er is een culturele verschuiving nodig en een grondige herwaardering van arbeid, om de maatschap-pelijke tweedeling radicaal aan te pakken.
Door de interne en externe arbeidsflexibilisering en de explosieve groei in de communicatiemogelijkheden worden werk en privé geïntegreerd, waarin arbeid zich optimaal tot normatieve professionaliteit kan ontplooien.
De postmoderne politiek dient voorbij de theemutscultuur en naast het walkman-ego, een derde communicatief krachtenveld te ontwikkelen, via de menselijke hulpbron om zich via aanrakingen en verhalen met elkaar te verbinden, die naar nieuwe vormen van individuëring doet zoeken, die solidariteit oproepen doordat ze aan verschillen ruimte bieden.

HET POSTMODERNISME GAAT OVER IN EEN SURREALISME
METAFYSISCH POSTMODERN SURREALISME
Antwoorden vragen creatieve perspectieven
Verticaal horizontaal vanuit het historische hoe
Vanuit het ‘wat’ sceptisch ‘zo wat’

FILOSOFISCH SURREALISME
In het Surrealisme worden de lijnen doorgetrokken die in de sceptische visie van het Postmodernisme in eerste aanzet te ontdekken zijn.
Het Postmodernisme gaat uit van:
verwerping van de subject/object spanning;
verwerping van de scheiding tussen menselijke ervaring (taal, tekst) en de daartegenover staande wereld als de werkelijkheid;
er is geen objectieve werkelijkheid waarop een menselijke subjectieve ervaring betrekking kan hebben;
het realisme en het idealisme in zijn extreme vorm zijn daardoor buiten spel gezet, beiden vormen in het postmodernisme een eenheid;
er is alleen tekst, het vocabulaire, en deze moet vooral niet opgevat worden als een brug tussen bewustzijn als kennis en de werkelijkheid, als het object van kennis;
ironiserende scepsis en deconstructie spelen een onmiskenbare rol.

SURREALISME ALS EEN INTENSIVERING VAN DE REALITEIT.
Het Surrealisme ziet de personen en de dingen zo intensief, dat ze tegelijkertijd betekenissen, niet slechts hebben, maar zijn; waarmee het statische werkelijkheidsbegrip van het Postmodernisme wordt door-broken.
De dingen zijn tevens hun betekenis.
De intensieve dynamische werkelijkheid omspant tweeërlei ineen: het verhaal, de levensgeschiedenis, de gezamenlijke cultuur van het subject met de werkelijkheid zelf, die tot zulk een verhaal uitdaagt.
Subject en object komen aan elkaar tot stand, ook als men probeert ze van elkaar gescheiden te bespreken.
De derde, Metafysische Dimensie, als de Transcendentie in de Immanentie is geen toevoeging, maar eerder een scherper (in)zicht op gewone voorvallen.
Surrealisme is dit filosofisch kader, duidt op de ontsluiting van gebeurtenissen tot hun werkelijke betekenis.

METAFYSISCHE DIMENSIE VAN CULTUREEL PLURALISME
Het Filosofisch Surrealisme verlegt de Metafysica van het ‘generzijds’ naar het ‘dezerzijds’, naar de derde of metafysische dimensie van hetgeen direct, maar dan ook intensief, gegeven is.
PLATO uitgaande van een eeuwige werkelijkheid van bovenaardse ideeën, beschrijft de dingen op deze aarde als een soort schaduwen van de Ideeën, generzijds.
ROMANO GUARDINI spreekt over de dingen die boven zichzelf uitwijzen en verwijst daarmee op surrealistische wijze naar de metafysische dimensie van de dingen om ons heen, dezerzijds.
CULTUREEL PLURALISME kenmerkt de wereld waarin wij leven, des te meer naarmate wij in één ‘global village’ komen te leven.
Het postmodernisme accentueert de verschillen juist, dus daarmee dit cultureel pluralisme, maar gaat daarin niet ver genoeg.
Het gaat niet alleen om pluralisme van cultuur, maar om de cultuur die in zichzelf door pluralisme wordt gekenmerkt.

PLURALISME ALS KENMERK VAN CULTUUR in plaats van pluralisme, dat culturele trekken heeft. Een vergelijking van de Europees – Amerikaanse Cultuur met andere culturen is niet relevant. Integendeel, het lezen van de uiteen liggende ‘teksten’ en ‘vocabulaires’ speelt zich af binnen onze cultuur, als objectieve omstandigheden en voorwaarden samen met de meer subjectieve weergave en waarderingen van die gebeurtenissen, dat wij aangeven met het begrip ‘ervaring’, ‘experience’ van Dewey (Experience and nature 1925)
A priori begrippen, als het bijzondere afleiden uit het algemene moet daarom niet voorop staan. Vanuit ervaring moet men naar iets wijzen, iets laten zien (pointing and showing). Dan gaat het niet om ‘wat’ ervaren wordt, maar om het ‘hoe, de manier waarop iets als gemeenschappelijk erkenbaar ervaren wordt, in relatie tot andere mensen.
In het Surrealisme vindt er samenhang plaats tussen subjectieve en objectieve polen, als TRANSCENDENTIE in IMMANENTIE, dat leidt tot Radicale Transcendentie, dat wil zeggen dat hetgeen ervaring teweeg brengt, die ervaring zelf weer te boven gaat.
De mensheid kent een culturele veelvormigheid, waarbij de onderlinge verschillen vooral een cultureel karakter dragen, niet alleen een cultureel pluralisme, maar een pluraliteit die tot de cultuur als zodanig behoort.
Vanuit een filosofisch Surrealisme wordt dit duidelijk, waarbij het niet alleen gaat om de sociale gedragspatronen van mensen, maar om de eigen ‘aard’ van de ‘dingen’, die vanuit een verklarende beschrijving, theoretisch steeds verder ontsloten worden door middel van meer esthetische ervaringen en zedelijke beslissingen.
Het gaat er in het Surrealisme om welke dynamische van buiten komende uitdagingen, als creatieve transcendentie, deze pluraliteit, dit onderscheid in gedragingen en opvattingen mogelijk maken.
Het gaat om de ontologische metafysische derde dimensie.
Kern van de Surrealisme als filosofische beweging is het inzicht, dat rationele zekerheid nooit a-priori gegeven is, maar wel in een creatief proces telkens weer tot stand komt.
Surrealistisch wereldbeeld impliceert dat men dimensies ontdekt, die boven het rationeel feitelijke bestaan uit gaan en een esthetische en ethische dimensie binnen bereik brengen.

DE DERDE, METHAFYISCHE DIMENSIE, waar de lijnen van gewone rationaliteit, zedelijk overleg, esthetische ervaring, religieuze overtuiging, en politieke beslissing samen komen, is nooit eenduidig bepaald, maar vaak erg dubbelzinnig.
Er zijn niet zondermeer universele, tijdloze waarden, Maar dat houdt nog geen relativisme in. In elke cultuur convergeren de lijnen van overleg, onderzoek en beleid naar punten waar de van buiten komende uitdaging (transcendentie) zo intensief is, dat men er steeds hernieuwd op doorgaat.
De weg van de interculturele communicatie is om via het herkenbare ‘hoe’ tot een meer rationeel overleg over het ‘wat’ te geraken.
Grondgedachte is dat men onderkent hoe in een cultuur op eigen wijze gereageerd wordt op uitdagingen en daarbij te letten op aanwezigheid van transcendentie, bijvoorbeeld in waarden die boven het gewone sociale leven uitgrijpen.
Geschiedenis wordt tot een steeds verder gaande discussie tussen religies, wereldbeschouwingen, ethisch sociale en politieke systemen.
Filosofische rationaliteit kan dit culturele leerproces stimuleren, om te komen tot het nemen van beslissingen en verantwoordelijkheid daarvoor.
Het subject object dualisme van de waarden die alleen maar subjectief en de harde feiten die louter objectief zijn, moet vervangen worden.
De surrealistische visie kan rationele analyse stimuleren. Juist meningsverschillen over criteria bespreekbaar maken als uitdagingen, die onze ervaringen en cultuur vorm geven, ontsluit een intensieve werkelijkheid.
Zo ook zal arbeid op een niveau van interculturele communicatie worden gebracht. De interne en externe flexibilisering van arbeid, doet bedrijfsstructuren verdampen en ontstaat virtuele interculturele communicatie, waarbij vanuit de leefsituatie cyclische vormen van betekenistijd aan arbeid een nieuwe surrealistische dimensie geven.

Cees Norbart Teteringen, 06-12-2011

HET FILOSOFISCH KWINTET met Ad Verbruggen en Clary Polak

Deel 1 24 juni 2012

Al discussierend proberen drie vooraanstaande filosofen onder leiding van Clary Polak met als deskundige gesprekspartner Ad Verbruggen de problemen van de Verzorgingsstaat te doorgronden, middels een boeiende discussie en zonder te komen tot een twistgesprek in een scherp debat.

DISCUSSIE OVER ARBEID BINNEN DE VERZORGINGSSTAAT
Arbeid als recht en als plicht zodat bijstand zo veel mogelijk wordt beperkt.

DE PLICHT TOT ARBEID
Bij de verplichting tot arbeid wordt het begrip passende arbeid losgelaten.
Daarvoor in de plaats komt het begrip maatschappelijk aanvaardbaar werk in de huidige maatschappelijke verhoudingen om de verzorgingsstaat in stand te kunnen houden dient te worden geaccepteerd.
We spreken niet van dwangarbeid bij de busjes vanuit Rotterdam, maar het dient wel als een stimulans om aan het werk te gaan. De werkgever daarentegen kan niet worden gedwongen om een medewerker in dienst te nemen.

ARBEID HISTORISCH BEZIEN
In de Klassieke Oudheid was werk een noodzakelijk kwaad om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
19e eeuw Adam Smith is de grondlegger van het Kapitalisme, waardoor arbeid in zijn moderne vorm gestalte krijgt in de vorm van stukloonarbeid.
Karl Marx wijst er op dat de industrialisatie en de verstedelijking leidt tot vervreemding van arbeid.
21e eeuw Om de verzorgingsstaat in stand te houden, moet er zo veel mogelijk werk en nog eens werk gerealiseerd worden, volgens het principe werk naar vermogen.
studenten moeten eerder aan het werk
pensioengerechtigde leeftijd moet omhoog
vrouwenparticipatie moet ook omhoog
werklozen moeten weer aan het werk worden gezet
arbeidsongeschikten moeten weer werken naar vermogen
Arbeid wordt ook positief gezien en leidt tot zelfontplooiing en levensvervulling, daarnaast vindt economisering van arbeid plaats.
De uitkeringen fungeren tot voor kort als basisinkomen, maar daar wordt nu een halt aan toe geroepen.
Door de vergrijzing moet iedereen betaald werk gaan doen om de verzorgingsstaat in stand te houden.
Echt werk is wat geld genereert binnen het kapitalistische systeem.
Werken naar vermogen betekent dat niet betaald werk in betaald werk moet veranderen. De uitkering blijft beperkt voor diegene die niet kunnen werken, maar niet voor diegenen die niet willen werken.
Privé arbeid in de huishoudelijke sfeer wordt vercommercialiseerd tot betaald werk, waardoor mensen “gelukkiger” worden, omdat ze dan betaalde arbeid hebben binnen onze kapitalistische samenleving.
Toch ligt de vervreemding van arbeid weer op de loer, omdat Taylorisering daardoor weer binnen arbeid binnensluipt.
Binnen het “geluksonderzoek” blijkt dat werklozen zich ongelukkiger voelen dan de grote stroom vutters uit eind van de vorige eeuw, omdat die door de maatschappelijke acceptatie zich de plicht tot arbeid niet hoeven aan te rekenen.
Recht op de verzorgingsstaat behoudt je alleen voor zover je zo veel mogelijk werkt en daardoor zo weinig mogelijk een beroep hoeft te doen op die verzorgingsstaat.

FLEXIBILISERING VAN ARBEID
Flexibilisering is een eis vanuit de optiek van de arbeidsplicht.
opkomst van de ZZP-er
verhouding van mij tot de arbeid die ik verricht komt meer centraal te staan.
Flexwerk (in navolging van flexhuwelijk) wordt hoger gewaardeerd, zeker bij jongeren, dan een baan voor het leven, toch is de flexibele schil nog slecht 35 % van de totale arbeid.
Individualisering en zelfverwerking komen weer in het middelpunt van de belangstelling te staan.
Alle maatschappelijke structuren en instituties vervluchtigen en daarbij klampen we ons des te meer vast aan werk, werk en nog eens werk……….

NIEUWE VORM VAN DE VERZORGINGSSTAAT
exibilisering van arbeid
opkomst van de ZZP-er
individualisering en zelfontplooiing
kinderopvang niet stimuleren en dan weer afremmen
doorzien van de vermeende onbetaalbaarheid van de verzorgingsstaat
werkzekerheid in paats van recht op arbeid
calculerende outcourcing terugdraaien

VERZORGINGSSTAAT EN DE UITVALLERS
De verzorgingsstaat is bij uitstek bedoeld om een beroep te doen op de Sociale Zekerheid
werklozen 500.000
ouderen 1.500.000
wajong 200.000
arbeidsongeschikt 600.000
bijstand 300.000
________
3.100.000
De verzorgingsstaat is vooral bedoeld voor diegenen die:
niet voor zichzelf kunnen zorgen
om iedereen maatschappelijk te laten participeren
om iedereen naar behoefte een gelijke behandeling te geven
een verzekeringsgedachte bij verplichte verzekering te geven
manier om solidariteit af te dwingen
reflexeert als een recht tegenover de staat
de verzorgingsstaat is een voortzetting van de Algemene Bijstandswet uit 1965
emancipatie van de vrouw
recht op verzorgingsstaat
anonimisering van de hulp en bijstand
schept verantwoordelijkheid bij de ontvanger
anonimisering leidt tot misbruik en tot minderwaardigheid bij de ontvanger
verslaving aan uitkering moet stoppen.
Probleem ligt bij de mensen die niet (willen) werken.

EUROPESE INTEGRATIE
Jean Monet , als oprichter van Kolen en Staal Gemeenschap, als voorloper van de Europese Integratie, was een Investment Banker uit Manhatten en legt een economisch accent op de Europese Integratie.
De Verzorgingsstaat blijft politiek een nationaal item, waarbij de spanning gevoeld wordt tussen het sociaal en economisch aspect van de verzorgingsstaat.
De Neoliberale politiek kent wel een sociaal ideaal beeld, maar is in Europa tot uitdrukkeing gekomen in een vorm van Economsce Samenwerking.
Europa loopt aan de leiband van de Financiele Markten en om de banken te redden kiezen voor solidariteit tussen de Europese Landen, zonder een Sociale Ideaalbeeld als achtergrond.
De Europase Landen dien ieder apart veel aan de Sociale Verzorgingsstaat, maar niet op Centraal Niveau omdat Europa is gedepolitiseerd.

VERZORGINGSSTAAT EN ONDERWIJS
Laaggeletterdheid van 1,5 miljoen Nederlanders, die onvoldoende kunnen lezen en schrijven, zijn niet in staat hun lesmateriaal te gebruiken en zich de doelstelling van volwaardig burgerschap te verwerven
Belangrijk in Sociaal Democratie is het begrip VERHEFFING. Een typisch Nederlands begrip om embourgoisement, burgerschap te verwerven binnen het onderwijs, om zo te komen tot kansen gelijkheid tussen verschillende groepen in de samenleving.
Het basisonderwijs is echter gericht op de economisch vorming in de vorm van een certificaten machine, in plaats van gericht te zijn op socialisering en emancipatie.
De staat heeft echter het monopolie op het basisonderwijs dat gericht moet zijn op het aanleren van basisvaardigheden en de cultuuroverdracht in brede zin.
De verzorgingsstaat is genomineerd op sociale zekerheid, uitkering, bijstand , zonder dat het onderwijs daarin een belangrijke rol vervuld.
Men heeft recht op onderwijs, gewaarborgd door de overheid, als deel van de verzorgingsstaat.
Er is ook een plicht tot het volgen van onderwijs, zeker voor studenten geldt deze morele plicht tot het verheffen van mensen, die gestalte krijgt in de leerplichtwet.
De overheid heeft de centrale rol voor de bewaking van de kwaliteti van onderwijs, waarbij de rechten en de plichten in het onderwijs zichtbaar moeten worde gemaakt, maar dan meer dan alleen in de economisering in het onderwijsbestel.
Nu is het zo, dat het onderwijs de mensen alleen maar disciplineert binen het Neo Liberalisme, binnen de economisering van het onderwijs dat gericht is op het opleiden tot ondernemers binnen de huidige economisch eorde,, in plaats van ruimte te scheppen voor zelfontplooiing en zelfontwikkeling.
Zoals in andere OECD landen zullen langere schooldagen beide doeln kunnen worden nagestreefd, waardoor tevens de naschoolse opvang kan verdwijnen.
De intrinsieke waarde van het onderwijs bestaat uit ontplooiing tot persoonsvorming en socialisering van de maatschappi.

Als hoofdoelen van het onderwijs gelden :

  • economische vorming
  • politieke vorming
  • sociale vorming
  • individuele ontwikkeling

in de verzorgingsstaat moet het onderwijs bestel zijn dominante rol weer terug krijgen, maar in de werkelijkheid komt de economisering van het onderwijs tot uitdrukking in:
ontwikkeling va mammoetscholen
ontbreken van eenduidige visie op het onderwijs
citotoets centraal binnen de economisering van het onderwijs
universiteit als certificerings machine, zonder doelstellingen van onderwijs en emancipatie ideaal.

CONCLUSIE
DE POLITIEK DIENST STURING TE GEVEN AAN DE NIEUWE VERZORGINGSSTAAT.

Onderwijs dient weer de harde kern te worden van de verzorgingsstaat en zorgt voor :
vrije, zelfstandige en emancipatoire burger
door beter onderwijs zal minder beroep worden gedaan op zorg
door beter onderwijs zal minder een beroep worden gedaan op uitkering

Auteur: Cees Norbart,Teteringen, 06-12-2011

lees het hele document na download van de pdf http://vrijheidmaaktarbeid.nl/blog/wp-content/uploads/2013/09/Arbeid-cees-norbart.pdf